Meer dan een bed. Twintig jaar opvang van asielzoekers.

Dit is de titel van een boek van Jürgen Gevaert en Erik Rydberg naar aanleiding van 20 jaar opvang van asielzoekers in België.

Eind 1986 opende het eerste opvangcentrum voor asielzoekers, het Klein Kasteeltje in Brussel, zijn deuren. Dat vormde het begin van de georganiseerde asielopvang in België.
Twintig jaar later doken de auteurs Jürgen Gevaert en Erik Rydberg onder in deze kleurige wereld. Op zoek naar verhalen spraken zij met personeelsleden in de open opvangcentra, maar ook met buurtbewoners, vrijwilligers, journalisten, beleidsmensen en natuurlijk met de asielzoekers zelf.
‘Meer dan een bed. Twintig jaar opvang van asielzoekers.’ verzamelt 17 verhalen uit alle hoeken van het land met foto’s van Lieven Van Assche.

Burgemeester Ludwig Vandenhove is de enige politicus, die in het boek geïnterviewd wordt.
“Ik ben hier bijzonder fier op. Het is nog maar eens het bewijs dat Sint-Truiden model staat in België en Vlaanderen voor het gevoerde asielbeleid”, zegt Ludwig Vandenhove.
Volgend jaar is het asielcentrum in Sint-Truiden tien jaar open.
“Een ideale gelegenheid om hier ook een boek rond te publiceren. Momenteel onderhandelen we al met een uitgever”, aldus Ludwig Vandenhove.

Hieronder vindt u het integrale interview met
Ludwig Vandenhove/> in het boek ‘Meer dan een bed. Twintig jaar opvang van asielzoekers’.

Dit hoofdstuk is een uittreksel uit het boek Meer dan een bed. Twintig jaar opvang van asielzoekers | Jürgen Gevaert & Erik Rydberg | Uitgeverij EPO, Berchem-Antwerpen & Fedasil, Brussel, 2007 | Isbn 978 90 6445 467 7| Geïllustreerde paperback | 168 pagina's | 19,50 euro | Verkrijgbaar in alle boekhandels | Meer info: www.epo.be.

13. De burgemeester en het opvangcentrum
Ludwig Vandenhove/> en de integratie in Sint-Truiden

In december 1998 werd in Sint-Truiden een federaal centrum voor de opvang van asielzoekers geopend. Vijfhonderd vluchtelingen kregen onderdak in de leegstaande kazerne van deelgemeente Bevingen. Nog voor de eigenlijke opening tekende
Ludwig Vandenhove/>, sinds 1995 de socialistische burgemeester van Sint-Truiden, een beleid uit dat het opvangcentrum moest integreren in de stad. In een multiculturele wereld heeft het toch geen zin je tegen een centrum te verzetten was zijn aanvoelen, en dus werkte hij constructief mee. Bijna tien jaar later heeft de voortvarende aanpak van Vandenhove vruchten afgeworpen, zo zegt hij zelf, want onder
meer de federale overheid heeft verschillende van zijn projecten overgenomen. De Truiense burgervader is met andere woorden beter dan wie ook geplaatst om inzicht te geven in de manier waarop lokale politici omgaan met de aanwezigheid van een opvangcentrum in hun stad.

‘Eind 1998 had ik iets horen waaien over de komst van een opvangcentrum in Sint-Truiden’, vertelt Vandenhove. ‘Formeel wist ik van niets tot ik op een donderdagavond telefoon kreeg van staatssecretaris van Maatschappelijke Integratie Jan Peeters. Hij meldde mij dat de ministerraad de volgende dag zou beslissen om  de kazerne van Bevingen om te vormen tot een opvangcentrum. Ik begreep meteen waarom men voor Sint-Truiden koos en dat heb ik ook gezegd in de media en aan de Truienaren: we leven in een open wereld en als je een legerkazerne op je grondgebied hebt, is het niet meer dan normaal dat je in aanmerking komt voor zo’n centrum. Maar ik heb Peeters ook verteld dat we geen kleine kinderen waren, dat ze ons best iets vroeger over die beslissing op de hoogte hadden mogen brengen, zodat we er beter over hadden kunnen communiceren. Dat was de enige kritiek die ik op de federale overheid had.’

‘Ik heb de hele zaak meteen positief benaderd. De daaropvolgende maandag liet ik in de buurt een brief verspreiden, en ik heb bewust geen hoorzitting willen organiseren. Ik wou het Vlaams Blok de kans niet geven amok te maken. Er zijn leukere dingen dan een opvangcentrum, maar het is wat het is. Diezelfde maandag heb ik ook duidelijk gemaakt dat ik niet meer zou klagen over het feit dat we niets op voorhand wisten, want dat had toch geen zin. Wat ik na overleg met Peeters wel kon bekomen, was dat de in- en uitgang van het opvangcentrum langs de kant van de stad zouden liggen. In de oorspronkelijke plannen lag die aan de kant van Bevingen, maar dat dorp zou overspoeld worden door de asielzoekers die uiteindelijk toch in Sint-Truiden zouden terechtkomen. Daarom verkoos ik om de stad er direct mee te confronteren. Voor de rest konden we niets anders doen dan gewoon het beste ervan proberen te maken. Ik ontwikkelde een beleid en heb er meteen heel open over gecommuniceerd. We legden onze burgers uit dat de stad er vijfhonderd “wisselende” bewoners bij kreeg. De opvang van asielzoekers is namelijk iets anders dan de integratie van migranten, waar wij wel al wat ervaring mee hadden. Migranten blijven in principe, terwijl de asielzoekers normaal gezien terug weggaan.’

De inplanting van een opvangcentrum in een dichtbevolkte stad verloopt natuurlijk niet van een leien dakje. Altijd zijn er wel kleine ergernissen, zowel bij buurtbewoners als bij asielzoekers. Voor beide groepen is het soms wat aftasten om goed samen te kunnen leven. Om iedereen de kans te geven zijn eventueel ongenoegen te uiten, organiseert Vandenhove nu en dan een hoorzitting, ‘waar natuurlijk heel weinig volk op afkomt’. Medewerkers van het opvangcentrum bellen een keer per jaar aan bij de buurtbewoners om te zien of er geen problemen zijn. De stad schakelt op zijn beurt asielzoekers in bij zijn groendienst. ‘We leren hen een aantal arbeidsattitudes aan, en tegelijk tonen we de Truienaren dat die mensen iets terug doen voor wat ze krijgen’, aldus Vandenhove. ‘Zo zijn we gaandeweg meer en meer acties gaan opzetten. De allereerste, en die doen we nog steeds, was met de kinderen uit het centrum een kerstcadeautje aanbieden aan de buurtbewoners. Twee keer per jaar houden we een Fiesta Latina, terwijl we op de Grote Markt een Fiesta Tropical organiseren, met wereldmuziek en allerlei eetkraampjes. Sinds 2002 hebben we ook een originele zomercampagne waarbij we de Truienaren met een brochure duidelijk maken dat ze begrip moeten opbrengen voor de gewoontes van de asielzoekers, zoals het feit dat ze af en toe in groep op straat staan. Bij die actie worden de asielzoekers zelf betrokken: ze gaan met een politieagent of stadswacht de brochure mee van deur tot deur brengen. In het opvangcentrum zelf verspreiden we dan weer een foldertje waarin in verschillende talen wordt uitgelegd dat de mensen van Sint-Truiden het af en toe moeilijk kunnen hebben met die groepjes op straat.’ Leuke initiatieven allemaal, maar een burgemeester zou geen burgemeester zijn als hij ook geen rechtstreeks contact met zijn burgers zocht. Vandenhove: ‘Ik houd nog altijd zitdagen. Dertig tot vijftig procent van de vragen heeft te maken met het opvangcentrum. Sommige asielzoekers vragen mijn hulp bij hun aanvraag, maar Tegenwoordig komen steeds meer Truienaren langs die met een asielzoeker of asielzoekster willen trouwen. Zulke persoonlijke zaken halen nu duidelijk de bovenhand op de klachten over overlast, die in het begin veel meer voorkwamen.’

‘Dankzij het eenvormige beleid dat we met onze integratiedienst, preventiedienst en lokale politie voeren, hebben we al bij al weinig echte problemen. Behalve de diefstallen in grootwarenhuizen misschien, maar stelen doen Belgen ook. De criminaliteitscijfers in Sint-Truiden zijn laag, en bij de migranten en asielzoekers zijn die zelfs lager dan bij de Belgen. Natuurlijk, het subjectieve onveiligheidsgevoel blijft. Het drama daarbij – en dat is ook het drama van de Vlaams Belangkiezer – is dat die mensen daar niet over kunnen discussiëren. Als we een praatavond organiseren of in het opvangcentrum een nieuwjaarsreceptie houden, komen ze niet. Maar als ik in de aanloop naar de gemeenteraadsverkiezingen de straten doe, zijn ze daar wel. Dan klagen ze dat het brood dat de bakker aan hun deur heeft gehangen, gepikt is.’

‘Er zijn twee soorten mensen. De eerste categorie zijn zij die oprecht met hun problemen tot bij mij komen. Daar luister ik naar. Ik probeer dat op te lossen en stuur er desnoods de politie op af, bijvoorbeeld wanneer een groep asielzoekers luidruchtig zit te drinken op een bankje in de stad. Voor zulke gevallen laat ik in de zomer de wijkinspecteurs wat langer werken, zij kunnen de asielzoekers er dan attent op maken dat ze een beetje moeten opletten hoe ze zich gedragen. Dan is er de tweede groep mensen: zij die het niet goed menen. En daar schop ik tegen. Per jaar gooi ik er toch wel drie à vier uit mijn kantoor. Als bij mij een Belg langskomt die een sociale woning wil en dan gaat verklaren dat “die zwarte dat wel krijgt”… tja, dat is onmiddellijk buiten bij mij. Er is nog altijd een verschil tussen een objectief en een subjectief probleem. Iemand die niet kan uitstaan dat er een vreemdeling naast zijn deur woont, dat is een racist. Het spijt mij. Ik heb mij zelf al een paar keer burgerlijke partij gesteld als burgemeester omdat ik zo tegen dat gedrag ben.’

Omdat het subjectieve onveiligheidsgevoel nu eenmaal nooit volledig kan worden weggewerkt, probeert het stadsbestuur het zo goed mogelijk te counteren met preventieve en sensibiliserende campagnes. Tegelijk voert de burgemeester een naar eigen zeggen consequent beleid om het ongenoegen bij de bevolking in de kiem te smoren. ‘Neem nu het voorbeeld van de Nachtwinkels’, legt hij uit. ‘We hebben van de nationale wetgeving gebruik gemaakt om daar streng in te zijn. In Sint-Truiden mogen ze open zijn van acht uur ’s avonds tot een uur ’s nachts. Maar wat zeggen de uitbaters nu? Dat ze al vanaf zes uur veel klanten over de vloer krijgen. Ik wil de regeling wel opnieuw versoepelen voor hen, maar dan moeten ze zich in afwachting daarvan wel aan de regels houden en pas om acht uur hun winkel openen. Maar dat doen ze niet. We hebben dan maar vijftien pv’s opgemaakt en we gaan dat blijven doen. Als ze zo doorgaan zal ik een of twee nachtwinkels moeten sluiten. Ik wil maar zeggen: met dat beleid kom ik eigenlijk de Belgen tegemoet. De niet-Belgen moeten op dezelfde manier benaderd worden als iedereen. Dat is wel constant op een slappe koord dansen.’

Als het van burgemeester Vandenhove afhangt, zal de houding die de politiek ten opzichte van asielzoekers aanneemt, grondig worden bijgesteld. De communicatie moet stukken beter, anders vooral. ‘De fout die we nu maken, is dat we communiceren met mensen die al overtuigd zijn. We moeten proberen te communiceren met de mensen die het hele vreemdelingenvraagstuk argwanend bekijken. We leven nu eenmaal in een open, multiculturele maatschappij en dat gaat niet meer veranderen. Dat moeten we aan de burger uitleggen, en daarvoor moeten meer middelen worden uitgetrokken. Het probleem is dat iedereen mij gelijk geeft, maar niemand er iets aan doet. Als je klaagt dat de antipolitiek steeds meer om zich heen grijpt, moet je geld vrijmaken om daar tegen in te gaan. Vergelijk het met het sluiten van een dorpsschool. Dat is vaak een ontmoetingsplaats voor veel mensen en de sluiting ervan is een allesbehalve populaire maatregel. Net daarom moet je er professioneel over communiceren. Fedasil maakt bijvoorbeeld schitterende jaarverslagen, maar wie leest die? Je moet met originele initiatieven de mensen proberen te overtuigen. De overheid moet zich daarin specialiseren en informatiecampagnes lanceren. Mensen die tegen de multiculturele samenleving zijn, moeten de boodschap meekrijgen dat ze zich niets mogen laten wijsmaken, dat onze open maatschappij niet meer verdwijnt. Natuurlijk mag je dat niet in de politieke sfeer stoppen, je mag niet zeggen dat de mensen niet meer op het Vlaams Belang mogen stemmen. Maar dat moet wel de achterliggende gedachte zijn. Mensen die stemmen voor een partij die zegt dat ze de open samenleving kan terugschroeven, kunnen evengoed op een partij stemmen die beweert dat ze het weer kan veranderen. We moeten daaraan werken, maar er is nog een hele weg af te leggen.’

Alles samen leven in Sint-Truiden zowat 1.500 asielzoekers, waarvan een vijfhonderdtal in het opvangcentrum. Volgens de burgemeester is daarmee het plafond bereikt. ‘De cijfers zijn wat ze zijn, dat is objectief. Maar dat we aan ons plafond zitten, is natuurlijk voor een stuk een subjectief verhaal. Het is iets wat je hoort in de stad. Sommigen zeggen dat ik teveel voor “de zwarten” doe, dat ik de “burgemeester van de zwarten” ben. Ik antwoord dan ik dat ik de burgemeester van iedereen ben, van zwarte mensen en van blanke mensen, maar niet van onmensen. Omdat ik een heel consequente houding aanneem in het debat, ga ik ook vaak spreken over asielbeleid. Toen hij minister van Maatschappelijke Integratie was, heeft Johan Vande Lanotte zelfs een aantal initiatieven uit Sint-Truiden overgenomen. Zo hebben bijvoorbeeld alle centra een communicatiebudget gekregen, gebaseerd op onze manier van communiceren. Die beslissing werd destijds door het ministerie genomen, van Fedasil was toen nog geen sprake.’

Dat de komst van het opvangcentrum geen cadeau was, beseft burgemeester Vandenhove maar al te best. Hij maakte het zichzelf ook niet makkelijker door zo zijn nek uit te steken. ‘Het is een beleidsthema waarmee je moeilijk kunt scoren’, weet hij. ‘Je kunt alleen maar hopen dat je er niet negatief mee in het nieuws komt. Stemmen kun je er niet mee winnen, alleen verliezen. Je hebt daar ook niet altijd vat op, er kan altijd iets gebeuren. Het is genoeg dat hier een steekpartij ontstaat tussen een sikh en een Belg, en de boel ontploft. Maar doordat ik regelmatig in het opvangcentrum kom, vertrouwen de asielzoekers mij. Toen ze vorig jaar in hongerstaking gingen, heb ik ze ervan kunnen overtuigen om te stoppen. Langs de andere kant heb ik hen ook heel duidelijk gezegd dat ik ze met de brandweer uit de kerk zou wegspuiten als ze die durfden te bezetten. Je ziet, als je consequent bent, kweek je een vertrouwensrelatie met die mensen.’